Wanneer een Wi-Fi Direct-verbinding (eenvoudig toegangspunt) is ingeschakeld, kunt u de instellingen wijzigen bij
> Wi-Fi Direct > Start de instelling >
, waarna de volgende menu-items worden weergegeven.
Wijzig de netwerknaam (SSID) van Wi-Fi Direct (eenvoudig toegangspunt) in een naam naar keuze. U kunt de netwerknaam (SSID) invoeren in ASCII-tekens die worden weergegeven op het softwaretoetsenbord van het bedieningspaneel.
Wanneer u de netwerknaam (SSID) wijzigt, wordt de verbinding met alle verbonden apparaten verbroken. Gebruik de nieuwe netwerknaam (SSID) als u opnieuw verbinding wilt maken met de apparaten.
Wijzig het wachtwoord van Wi-Fi Direct (eenvoudig toegangspunt) in een wachtwoord naar keuze. U kunt het wachtwoord invoeren in ASCII-tekens die worden weergegeven op het softwaretoetsenbord van het bedieningspaneel.
Wanneer u het wachtwoord wijzigt, wordt de verbinding met alle verbonden apparaten verbroken. Gebruik het nieuwe wachtwoord als u opnieuw verbinding wilt maken met de apparaten.
Wijzig het frequentiebereik van Wi-Fi Direct. U kunt kiezen tussen 2,4 GHz of 5 GHz.
Wanneer u het frequentiebereik wijzigt, wordt de verbinding met alle verbonden apparaten verbroken. Maak opnieuw verbinding met de apparaten.
Wanneer u overschakelt naar 5 GHz, kunt u alleen apparaten opnieuw verbinden die het 5 GHz-frequentiebereik ondersteunen.
Schakel de functie Wi-Fi Direct (eenvoudig toegangspunt) van de printer uit. Wanneer u dit doet, wordt de verbinding met alle apparaten die via Wi-Fi Direct (eenvoudig toegangspunt) met de printer zijn verbonden verbroken.
Zet alle instellingen voor Wi-Fi Direct (eenvoudig toegangspunt) terug naar de standaardwaarden.
Alle opgeslagen verbindingsgegevens van apparaten die via Wi-Fi Direct (eenvoudig toegangspunt) zijn verbonden, worden verwijderd.